Rond 170 v. GJ werd
Antiochus IV Epifanes van het Seleucidische rijk heerser over Israël. Hij
kon het goed vinden met joden die assimileerde. Daarentegen had hij een
gruwelijke hekel aan de joden die hun geloof en tradities niet wilde
opgeven.
In 167 v G.J. liet
Antiochus IV Epifanes van het Seleucidische rijk de tempel in Jerusalem
ombouwen tot een Hellinistiche tempel. Hij zette er een beeld van Zeus neer
(15e Kislev 168 BCE) en liet er varkens offeren (25e
Kislev). Verder verbood hij het bestuderen van de Thora, het vieren van de
shabbat en het houden van de spijswetten, uitvoeren van de besnijdenis en
alle andere joodse voorschriften ofwel het onderhouden van de Thora. Ieder
die werd betrapt werd gedood. Daardoor kwamen duizenden joden om.
1 Makk. 1: 56 Alle
wetboeken, die men kon opsporen, werden in stukken gescheurd en verbrand;
57 en iedereen, bij wien een boek van het verbond werd ontdekt, of die aan
de wet vasthield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht. 58 Met
dergelijke geweldmaatregelen gingen zij maandenlang tegen iederen Israëliet
te keer, die zij in een of andere stad konden betrappen. 59 De vijf en
twintigste van de maand offerden zij op het altaar, dat op het
brandofferaltaar was geplaatst. 60 Volgens voorschrift vermoordden zij de
vrouwen, die haar kinderen hadden laten besnijden, 61 hingen haar de
kinderen aan de hals, en plunderden haar huizen; en men doodde hen, die de
besnijdenis hadden voltrokken. 62 Toch waren er veel Israëten, die
standvastig waren en vastbesloten bleven, geen onreine spijzen te eten. 63
Zij wilden liever sterven, dan zich aan spijzen verontreinigen en het heilig
verbond verbreken. Zij stierven dan ook.
Mattithjahoe, een
bejaarde priester uit Modi’in kon het niet aanzien en kwam in opstand.
1 Mak. 2: 12 Ziet
eens, hoe ons heiligdom, ons juweel, Hoe onze trots is verwoest, En hoe de
heidenen het hebben onteerd! 13 Waartoe leven wij nog? 14 Mattatias en
zijn zonen scheurden hun klederen, hulden zich in boetezakken en waren diep
bedroefd. 15 Op zekere dag verschenen er ook koninklijke beambten in Modin,
om de stad tot afval en tot offeren te dwingen. 16 Vele Israëlieten liepen
naar hen over, maar Mattatias en zijn zonen bleven standvastig. 17 Daarom
spraken de koninklijke beambten Mattatias hierover aan, en zeiden tot hem:
In deze stad zijt gij een der leiders; ge staat hoog in aanzien en hebt
grote invloed; bovendien staan uw zonen en uw familie achter u. 18 Treed
gij dus het eerst naar voren, en doe wat de koning beveelt; alle volken
hebben het reeds gedaan, en de mannen uit Juda met die in Jerusalem zijn
achtergebleven, eveneens. Dan zult gij en uw zonen tot de vrienden van den
koning worden gerekend, en goud, zilver en veel andere eregeschenken
ontvangen. 19 Maar Mattatias antwoordde met luider stem: Al gehoorzamen hem
alle volken in het rijksgebied van den koning, al valt iedereen van de
godsdienst zijner vaderen af en voegt zich naar het bevel van den koning,
20 ik, mijn zonen en mijn familie blijven trouw aan het verbond onzer
vaderen! 21 Wij denken er niet aan, de thora te verzaken en haar geboden.
22 Nooit gehoorzamen wij aan het bevel van den koning; van onze godsdienst
wijken we niet af, niet rechts en niet links! 23 Maar nauwelijks had hij
uitgesproken, of er trad een jood voor aller ogen naar voren, om volgens het
bevel van den koning een offer te brengen op het altaar van Modin. 24 Toen
Mattatias dit zag, ontstak hij in heilige woede, en heel zijn wezen kwam in
opstand. Hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit,
en sloeg hem neer bij het altaar. 25 Tegelijkertijd doodde hij den
koninklijken beambte, die het offer had doorgedreven, en vernielde het
altaar. 26 Zo kwam hij op voor de wet, evenals Pinechas tegen Zimri, den
zoon van Sjalloem. 27 Nu liet Mattatias met luider stem in de stad
afkondigen: Iedereen die het opneemt voor de thora en trouw blijft aan het
verbond, volge mij! 28 Daarop vluchtte hij met zijn zonen naar het
gebergte, en ze lieten have en goed in de stad.
Met zijn 5 zonen
vluchtte hij de bergen in en begon een guerilla tegen de Syrieërs. Nadat
Juda één van de zonen met zijn leger bij Beth Soer de Syriërs o.l.v. hun
generaal Lysias hadden verslagen verlieten deze het land. Men trok nu naar
Jerusalem waar men de tempel reinigde van de afgoderij en werd de tempel
gereinigd en opnieuw ingewijd. Het feest heet daarom Chanukah wat inwijding
/ vernieuwing betekend.
1 Makkabeën 4:1
Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters
uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken, 2 om het
kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit
de burcht zouden hem de weg wijzen. 3 Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij
met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag,
een slag toebrengen, 4 terwijl de andere troep nog ver van de
legerplaats was verspreid. 5 Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp
van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen
zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht! 6 In
alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten
echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad, 7
nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de
flank, en met geschoolde soldaten. 8 Maar Judas sprak tot zijn mannen:
Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan
komen stormen. 9 Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden
gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde. 10 Roepen wij thans de
Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt,
en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt. 11 Dan zal de hele
wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding
brengt! 12 Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken,13
verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van
Judas op de trompetten bliezen, 14 stormde men op elkander in. De heidenen
werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte. 15 Die achteraan
kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan
Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van
hen ongeveer drieduizend man. 16 Nadat Judas met zijn leger van de
achtervolging was teruggekeerd, 17 sprak hij tot het volk: Begeert thans
geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten. 18 Want Górgias staat
vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden
op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt. 19
Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het
gebergte te voorschijn komen. 20 Maar die begrepen terstond, dat zij de
nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de
rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was. 21 Bij deze
ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in
de vlakte voor de aanval gereed stond, 22 sloegen ze allen op de vlucht
naar het land der Filistijnen. 23 Nu eerst trok Judas op de legerplaats af,
om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en
echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden. 24 En op de terugtocht
zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: "Hij is goed, en eeuwig
duurt zijn barmhartigheid!" 25 Want die dag was Israël een grote
redding geschonken. 26 De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen
naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was. 27 Deze berichten
brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan
was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat
de koning hem had opgedragen. 28 Daarom wierf hij het volgende jaar een
leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om
voor goed met hen af te rekenen. 29 Zij rukten Idumea binnen, en sloegen
hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
30 Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak:
Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de
hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen
hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens
wapendrager. 31 Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze
voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij.32 Jaag ze
de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun
nederlaag, 33 en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan
zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen! 34 Daarna
stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van
Lúsias’ leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten. 35 Toen Lúsias de
nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van
Judas’ troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok
hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea
binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn. 36 Nu spraken
Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu
optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden. 37
En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg. 38
Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de
poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op
een van de bergen, en de zijvertrekken vernield:39 scheurden zij hun
klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as, 40
wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten
hemel. 41 Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting
in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd. 42
Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan
de wet; 43 en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het
afgodsaltaar op een onreine plaats. 44 Daarna beraadslaagden zij, wat
ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen; 45 en ze kwamen op de
goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden
bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar
af, 46 maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg,
totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest
gebeuren. 47 Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen
en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige. 48 Daarna herstelden
ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven
in. 49 Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar,
het reukofferaltaar en de tafel in de tempel, 50 lieten wierook branden op
het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de
tempel weer verlichtten, 51 legden de broden op de tafel en hingen de
voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden
voltooid, 52 brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste
der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148, 53 een
offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar. 54 Het was
juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden
ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers,
harpen en cymbalen. 55 En heel het volk viel in aanbidding neer, en
loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken. 56 Acht dagen
lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap
brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten. 57 Ze versierden de
tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en
zijvertrekken, en zetten de deuren erin. 58 En er heerste een grote vreugde
onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen. 59 Daarom
nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang
zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap
te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag
van de maand Kislew.
Als eerste vierde men
toen het Loofhuttenfeest, 8 dagen lag omdat men, vanwege de strijd, het niet
in de eigenlijke maans Tishri had gevierd.
2 Makkabeën 10:1
Daarop namen de Makkabeër en zijn aanhang met de hulp des Heren de tempel en
de stad weer in bezit. 2 Zij vernielden de altaren, die de heidenen op de
markt hadden opgericht, en hun gewijde plaatsen eveneens. 3 Daarna
reinigden zij de tempel, en bouwden een nieuw brandofferaltaar. Uit stenen
sloegen zij vonken, ontstaken het vuur, en droegen weer offers op, na een
onderbreking van twee jaar. Ook zorgden zij voor het reukwerk en de lampen,
en legden de toonbroden neer. 4 Toen dit alles verricht was, wierpen zij
zich op de grond, en smeekten den Heer, dat Hij hen niet meer tot zulk een
ellende zou laten vervallen, maar hen, zo ze andermaal mochten zondigen, met
mildheid zou straffen en hen nooit meer aan de godslasterlijke en barbaarse
heidenen zou overleveren. 5 En het was heel merkwaardig, dat de
tempelreiniging op dezelfde dag plaats had, waarop de tempel door de
heidenen was onteerd: namelijk op de vijf en twintigste van de maand Kislew.
6 Vol vreugde vierden zij acht dagen feest, zoals op het loofhuttenfeest.
En zij dachten er aan, hoe zij dit laatste feest nog kort geleden hadden
moeten vieren, toen zij als wilde dieren op de bergen en in spelonken hadden
gehuisd. 7 Daarom zwaaiden ze thans met klimop, groene takken en palmen, en
hieven een danklied aan ter ere van Hem, die hun het geluk van de
tempelreiniging had geschonken. 8 En zij bepaalden door een algemeen bevel
en besluit, dat het gehele joodse volk deze dagen jaarlijks zou vieren.
De overleveringen
vermelden verder dat er toen een tekort was aan zuivere olie om de Menorah
te laten branden. Er zou maar olie voor één dag zijn. Op deze olie voor één
dag bleef de Menorah echter acht dagen branden, de tijd die nodig was om
nieuwe olie te maken. Daarnaar verwijzend wordt er tijdens het Chanukah
feest iedere avond een Chanukkia aangestoken en wel te beginnen bij één
kaars en zo oplopend naar acht kaarsen (iedere